Van den Boogaard maakt zijn debuutplaat in het Brabants en voert strijd met drank, vrouwen, verliefdheid, trouw, spijt, het dorp en de stad. In tegenstelling tot velen van zijn vakgenoten doet Van den Boogaard dat met een treffende humor, droog cynisme en een directe openheid. Zijn taalgebruik is zo vanzelfsprekend dat je steeds het gevoel hebt dat je samen met hem in een café staat en het lief en vooral ook het leed zonder blad voor de mond besproken wordt.